Lekcja 8 – Która jest godzina?- Les 8. Hoe laat is het? Woordenboek – Słownik Woorden: Werkwoord Zelfstandige naamwoorden Overige woorden antwoord (geef antwoord) – odpowiedź (dawać odpowiedź) vraag (vragen)– pytać werk (werken) – pracować zeg (na) (nazeggen) – powtarzać Hoe laat is het? – Która jest godzina? Hoe laat begint de les? – O której zaczyna się lekcja? Hoe laat begint de pauze? – O której godzinie jest/zaczyna się przerwa? de klok – zegar … uur – … godzina de wijzer – wskazówka de les – lekcja de pauze – przerwa het antwoord – odpowiedź de vraag – pytanie getallen 11-20 – liczby 11-20 laat (hoe laat is het?) – późno (Która jest godzina?) groot / klein – duży / mały half – połowa, wpół om – o tussen – pomiędzy klaar – gotowe Hallo, welkom bij woord voor woord. Dit is les 8. Hoe laat is het? Dit is de klok. De klok. Hoe laat is het? Hoe laat is ‘t? Het is 1 uur. ‘t is 1 uur. Het is 2 uur. ‘t is 2 uur. Het is 3 uur. Ik wijs naar de klok. Ik wijs. Dit is een wijzer. Dit is een wijzer. Ik wijs. De wijzer, wijst. Deze wijzer is lang. Dit is de grote wijzer. De grote wijzer is lang. Lang. Deze wijzer is klein. De wijzer is kort. Kort – lang. Dit potlood is kort dit potlood is lang. Klein – groot. Dit boek is klein. Dit boek is groot. Klein – groot. De kleine wijzer, de grote wijzer. Klein – groot. De grote wijzer is boven het getal. De kleine wijzer is niet boven het getal. De klok heeft 12 getallen. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12. Het is 1 uur. De wijzers gaan rond. De grote wijzer gaat 1 uur rond. De kleine wijzer gaat van 1 tot 2. De kleine wijzer gaat langzaam. De grote wijzer gaat snel. De grote wijzer gaat snel rond. De kleine wijzer...
czytaj więcej
Les 6 De computer – Lekcja 6 Komputer Woordenboek – Słownik Werkwoorden Zelfstandige naamwoorden Overige woorden klik (klikken) – klikać typ (typen) – pisać druk (drukken) – naciskać ligt (liggen ) – leżeć het licht – światło de telefoon – telefon de computer – komputer de koptelefoon – słuchawki het hoofd – głowa de muis – mysz de toets – test aan – uit bij – przy naast – obok keer – raz snel / langzaam – wolny / szybki Hallo. Welkom bij woord voor woord. Dit is les 6. De computer. Ik sta bij de computer. Bij. Ik sta bij het bord. Ik sta naast het bord. Ik sta bij het bord. Ik sta naast de computer. Ik sta bij de computer. Achter de computer. Naast de computer. Ik sta voor de computer. Ik sta bij de computer. Bij. Bij. Ik sta bij de computer. De pen is op het boek. De pen ligt. De pen staat niet. De pen ligt. De pen ligt naast het boek. De pen ligt bij het boek. Ik doe de pen in het boek. De pen ligt in het boek. Ik pak de pen uit het boek. Ik leg de pen ligt naast het boek. Ik leg bij de computer. Waar is de pen? De pen ligt bij de computer. Ik zit bij de computer. De computer is uit. Ik doe de computer aan. De telefoon. De telefoon is uit. Ik doe de telefoon aan. De telefoon is aan. Uit – aan. Het licht is aan. Het licht is uit. Het licht is aan. De computer is aan. Ik pak de koptelefoon. De koptelefoon Het hoofd. Mijn hoofd. Mijn hoofd. De koptelefoon. Ik zet de koptelefoon op mijn hoofd. Ik doe de koptelefoon in de computer. Dit is de muis. De muis. Ik klik op de muis. Ik klik 1 keer. Ik klik 2 keer. Ik klik 2 keer snel. Ik klik 2 keer langzaam. Dat is niet goed. Langzaam is niet goed. Snel klikken is goed....
czytaj więcej
Zobacz również: Słownictwo i rozmówki holenderskie u lekarza.(bij de arts) Formularz zgłoszeniowy do lekarza rodzinnego w Holandii Części ciała po holendersku oraz wizyta u lekarza [+wideo] Niderlandzki dla młodych mam i kobiet w ciąży [wideo] Opieka zdrowotna w języku niderlandzkim – lekcja...
czytaj więcej
Kleren of kleding in het Nederlands Nederlandse woorden en zinnen. Herhaal de zinnen hardop! (pauzeer zelf de video) zich aankleden – kleedde zich aan – heeft zich aangekleed (ubierać sie) Ik kleed me ‘s ochtends aan. aandoen – deed aan – heeft aangedaan(zakładać na siebie) Wat doe je aan vandaag? aantrekken – trok aan – heeft aangetrokken (zakładać na siebie) Ik heb niets om aan te doen / om aan te trekken. aanhebben – had aan – heeft aangehad(mieć na sobie, nosić) Hij heeft nieuwe kleren aan. dragen – droeg – heeft gedragen(nosić) Zij draagt nooit korte rokje / Zij heeft nooit korte rokjes aan. Hij draagt vaak streepjesoverhemden. staan – stond – heeft gestaan Dat t-shirt staat je goed. Herhaal de de woorden hardop! (zelf pauzeren niet nodig) Chcesz sprzedać nieużywane ubrania w Holandii/Belgii polecam aplikację VINTED. Poniżej link do rejestracji. https://www.vinted.nl/invite/farys99 (kliknij grafikę powyżej lub skopiuj link) Słownictwo do korzystania z aplikacji znasz już z lekcji. Dodatkowo zapraszam na stronę z kolorami: https://naukaholenderskiego.pl/wideo-lekcje/inne-wideo/nauka-niderlandzkiego-kolory-kleuren-in-het-nederlands/ oraz drugą część odnośnie ubrań: https://naukaholenderskiego.pl/wideo-lekcje/inne-wideo/kleren-in-het-nederlands-deel-2-ubrania-w-jezyku-niderlandzkim-czesc-2-wideo/ Vinted działa w 12 krajach Europy. de kleding het kledingstuk de kleren de trui (de truien) – swetr de coltrui (de coltruien) het overhemd(en) de blouse/bloes(de bloesjes) het t-shirt(de t-shirts) het poloshirt(-s) het topje(-s) de jurk (-en) – sukienka, suknia de rok (de rokken) – spódnica de broek (-en) – spodnie de spijkerbroek (-en) – spodnie jeansowe de boekzak (-zakken) – kieszeń de ribbroek (-en) de korte broek (-en) – spodenki de lange broek (-en) – de tuinboek (-en) – ogrodniczki de overall (-s) – de riem (-en) – pasek het veter (-en) – de knoop (de knopen) –guzik het knoopsgat (-gaten) – dziurka na guzik de rits (-en) – zamek (w ubraniach) de pyjama (-‘s) – piżama de nachtjapon (-japonnen) – het nachthemd (-en) – het slaap-t-shirt (-s) – de ochtendjas / de badjas – szlafrok passen – paste – heeft gepast Ik ga nieuwe kleren passen. Waar is het pashokje? – Gdzie jest przymierzalnia? de paskamer (-s) – przymierzalnia Ik pas dit...
czytaj więcej
Les 5 Van links naar rechts. – Lekcja 5 Od lewej do prawej. Woordenboek – Słownik Werkwoorden Zelfstandige naamwoorden Overige woorden stop (stoppen) – zatrzymać draai om (omdraaien) – obrócić tel(t) (tellen) – liczyć mag (mogen) – móc Mag ik ….? – Czy mogę …? Uit welk land kom jij? – Z jakiego kraju pochodzisz? Welk getal is dit? – Jaka to jest liczba? het land – kraj de kast – szafa het bord – tablica het schrift – zeszyt het getal – liczba getallen 1-10 – liczby 1-10 welk(e) – który, która, które hetzelfde links – rechts boven – beneden van – tot en – i Welkom bij woord voor woord. Dit is les 5. Van links naar rechts. Dit is het bord. Het bord. Ik schrijf op het bord. Ik schrijf mijn naam. Ik schrijf van links naar rechts . Van links naar rechts. Links – rechts. Ik schrijf het getal 1 op het bord. Het getal 1. Ik schrijf het getal 2 op het bord. Het getal 2. Ik schrijf de getallen van 1 tot 10 op het bord. Van links naar rechts. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10. De getallen van 1 tot 10. Van links naar rechts. Ik tel. Ik tel van 1 tot 10. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10. Ik tel. Ik tel de pennen. 1 2 3 4 5. 5 pennen. Ik tel. Rick, tel van 1 tot 10. R: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10. Rick telt. Rick tel van 10 tot 1. R: 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1. Rick telt. Rick, welk getal is dit? R: Dat is de 5. De 5. Welk getal? De 5. Rick, welk getal is dit? R: Dat is de 3. De 3. Welk, welk getal? Uit welk land kom jij? Rick, uit welk land kom jij? R: Ik kom uit Nederland. Rick komt uit Nederland. Ik kom uit Nederland . Uit welk land...
czytaj więcej
1000 najpopularniejszych słówek w języku niderlandzkim /kolejne 25 słówek/ Podstawowe czasowniki w języku niderlandzkim – lekcja 8 [wideo] Słowniczek z lekcji wideo: lopen – chodzić, biegać [ik loop, jij,hij loopt, wij, jullie, zij lopen] Ik loop naar de supermarkt. Hij liep gisteren naar de bus. Zij is naar de bus gelopen. Zij heeft 10 minuten gelopen. hebben – mieć worden – stać się gaan – iść, jechać vragen – pytać antwoorden – odpowiadać kopen – kupować krijgen – dostać eten – jeść drinken – pić rijden – jechać vergeten – zapomnieć horen – słyszeć luisteren – słuchać (np. radia) zien – widzieć kijken – patrzeć zobacz również: Podstawowe czasowniki w języku niderlandzkim część 2 – lekcja 18 [wideo] weten – wiedzieć leren – uczyć się slapen – spać lezen – czytać schrijven – pisać spreken – mówić zeggen – powiedzieć (ik zeg dit) denken – myśleć (maar ik denk dat!) werken – pracować wachten – czekać Tot les 9 – Do zobaczenia na lekcj 9 [Najpopularniejsze przymiotniki w języku niderlandzkim] wszystkie lekcje z serii 1000 najpopularniejszych słówek w języku niderlandzkim...
czytaj więcej
Brandweerman Sam (oorspronkelijke Engelse titel: Fireman Sam) is een Welshe kinderserie voor televisie, oorspronkelijk uitgezonden door de lokale televisiezender S4C vanaf 1985. Beste Beentje Voor Buurtwacht nog even niet De nieuwe Held van de Buurt De verkeerde geur Drijvende skelter Een dagje aan het strand Een gewaarschuwd mens Gevaarlijk Pad Hij die er vandoor ging Hulp in de huishouding...
czytaj więcej
het restaurant(-s) – restauracja (słówka) Rezerwacja stolika w restauracji ROZMOWKI w restauracji Rozmówki i słownictwo niderlandzkie w sklepie [wideo] Rozmówki niderlandzkie w pracy [wideo] Słownictwo i rozmówki holenderskie u lekarza.(bij de arts)...
czytaj więcej
1000 najpopularniejszych słówek w języku niderlandzkim Rodzina i związek w języku niderlandzkim – lekcja 20 Słówka z zakresu 476-500 Słowniczek z lekcji wideo: de vader – tata papa de moeder – mama mama de broer – brat de zus – siostra de opa – dziadek de oma – babcia de tante – ciocia de oom – wujek de neef – kuzyn, siostrzeniec de nicht – kuzynka, siostrzenica het kind – dziecko het kleinkind – wnuczek, wnuczka de vriend – przyjaciel (chłopak w związku) de vriendin – przyjaciółka(dziewczyna w związku) de kennis – znajomy/a (ale również wiedza) de bekende – znajomy/a de klasgenoot – kolega z klasy de verkering – związek verliefd – zakochany verloofd – zaręczony trouwen – ożenić się, wyjść za mąż (Zij zijn getrouwd. – Oni są po ślubie.) scheiden – rozwodzić się (Zij zijn gescheiden. – Oni rozwiedli się.) gescheiden zijn – być rozwiedzionym TOT LES 21 – Do zobaczenia na lekcji 21 [Zwierzęta w języku niderlandzkim] wszystkie lekcje z serii 1000 najpopularniejszych słówek w języku niderlandzkim >>> Zobacz więcej: de familie of het gezin czyli rodzina w języku niderlandzkim...
czytaj więcej