Lekcja 8 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Sty 04, 16 Lekcja 8 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Lekcja 8 – Która jest godzina?- Les 8. Hoe laat is het?

Woordenboek – Słownik

Woorden: Werkwoord

Zelfstandige naamwoorden

Overige woorden

antwoord (geef antwoord) – odpowiedź (dawać odpowiedź)
vraag (vragen)– pytać
werk (werken) – pracować
zeg (na) (nazeggen) – powtarzać
Hoe laat is het? – Która jest godzina?
Hoe laat begint de les? –
O której zaczyna się lekcja?
Hoe laat begint de pauze? –
O której godzinie jest/zaczyna się przerwa?

de klok – zegar
… uur – … godzina
de wijzer – wskazówka
de les – lekcja
de pauze – przerwa
het antwoord – odpowiedź
de vraag – pytanie

getallen 11-20 – liczby 11-20
laat (hoe laat is het?) – późno (Która jest godzina?)
groot / klein – duży / mały
half – połowa, wpół
om – o
tussen – pomiędzy
klaar – gotowe

Hallo, welkom bij woord voor woord. Dit is les 8. Hoe laat is het?

Dit is de klok. De klok.
Hoe laat is het? Hoe laat is ‘t?
Het is 1 uur. ‘t is 1 uur.
Het is 2 uur. ‘t is 2 uur.
Het is 3 uur.
Ik wijs naar de klok. Ik wijs.
Dit is een wijzer. Dit is een wijzer.
Ik wijs. De wijzer, wijst.
Deze wijzer is lang.
Dit is de grote wijzer. De grote wijzer is lang.
Lang.
Deze wijzer is klein.
De wijzer is kort.
Kort – lang.
Dit potlood is kort dit potlood is lang.
Klein – groot.
Dit boek is klein. Dit boek is groot.
Klein – groot.
De kleine wijzer, de grote wijzer.
Klein – groot.

De grote wijzer is boven het getal.
De kleine wijzer is niet boven het getal.
De klok heeft 12 getallen.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12.
Het is 1 uur.
De wijzers gaan rond.
De grote wijzer gaat 1 uur rond.
De kleine wijzer gaat van 1 tot 2.
De kleine wijzer gaat langzaam.
De grote wijzer gaat snel.
De grote wijzer gaat snel rond.
De kleine wijzer gaat langzaam rond.
In 1 uur gaat de grote wijzer 1 keer rond.
De kleine wijzer gaat van 1 naar 2.
In 1 uur gaat de grote wijzer 1 keer rond.
De kleine wijzer gaat van 1 naar 2. Het is 3 uur.
Het is 4 uur.
Hoe laat is het?
Het is 5 uur.
Hoeveel uur? 5 uur.
De grote wijzer staat op de 12.
6 uur.
Hoeveel uur? 6 uur.
De grote wijzer staat op de 12.
7 uur.
De grote wijzer staat op de 12.
Hoe laat is het?
Het is half 1.
Het is half 2.
De grote wijzer wijst naar de 6.
De grote wijzer staat op de 6
De kleine wijzer staat tussen de 1 en de 2.
Het kopje staat tussen de kan en de koptelefoon.
De kan, de koptelefoon.
Het kopje staat tussen de kan en de koptelefoon.
De kleine wijzer staat tussen de 1 en de 2.
Het is half 2.
Het is half 3
De grote wijzer staat op de 6.
De kleine wijzer staat tussen de 2 en de 3.
Het is half 4.
De klok heeft 12 getallen. 2 x 12 is 24.
Ik tel tot 24.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24.
24 uur.
Ik schrijf de getallen van 11 tot en met 20 op het bord.
Ik begin met de 11.
11 is 1 en 1 samen. Ik schrijf een 1 en nog een 1. Klaar: 11
Ik schrijf 12. Ik begin met de 1. Ik schrijf de 2 achter de 1. Klaar: 12
13. Ik begin met de 1. De 3 erachter de 1. Ik zeg dertien.
Let op:
dertien, niet drietien. Dertien.
Ik schrijf 14.
Ik begin met de 1 ik schrijf de 4 achter de 1: veertien.
Let op: ik zeg
veertien, niet viertien.
Ik schrijf 15 tot en met 20 snel: 15 – 16 – 17 – 18 – 19 – 20.
Klaar.
Ik zeg elf. Twaalf. Dertien. Veertien.
Ik schrijf 1 – 5.
Ik zeg vijftien.
Ik schrijf 1 – 6.
Ik zeg zestien.
Ik schrijf 1 – 7.
Ik zeg zeventien.
Achttien. Negentien. Twintig.
Zeg mij na.
Zeg hetzelfde.
Ik zeg: dertien.
Jij zegt: dertien.
Rick, jij zegt mij na.
Jij zegt hetzelfde.
Ik zeg dertien jij zegt 13.
Goed?
R: Goed.
Zeg na: dertien. R: 13.
Zeg na : veertien. R: 14.
Zeg na: hoe laat is het? R: Hoe laat is ‘t?
Goed Rick, jij zegt: hoe laat is het?
Jij zegt hetzelfde.
Jij geeft geen antwoord.
jij zegt het na.
Hoe laat is het? Dat is een vraag.
Geef antwoord.
Hoe laat is het?
R: Het is half 4.
Het is half 4. Dat is het antwoord.
Goed.
Zeg na: hoe laat is het?
R: Hoe laat is het?
Goed jij zegt het na. Hoe laat is het?
Hoe laat is het? Jij geeft antwoord.

Hoe laat is het? Het is half 4.
Oke, ik vraag Rick, geeft antwoord.
Hoe heet jij?
R: Ik heet Rick.
Hoe heet jij? is de vraag.
Ik heet Rick – is het antwoord.
Hoe gaat het?
R: Goed.
Hoe gaat t? is de vraag.
Goed – is het antwoord.
Ik vraag: Uit welk land kom jij?
Uit welk land kom jij?
R: Ik kom uit Nederland.
Wil je koffie? R: Ja alsjeblieft.
Waar woon jij? R: Ik woon in Groningen.
Hoe laat begint jouw les? R: Mijn les begint om 9 uur.
De les van Rick begint om 9 uur.
Hoe laat begint jouw les?
Hoe heet jij?
Waar woon jij?
Wil je koffie?
Uit welk land kom jij?
Geef antwoord.
Rick, zeg na. Zeg hetzelfde.
Nu geen antwoord, zeg hetzelfde:
Hoe laat begint jouw les?
R: Hoe laat begint jouw les?
Rick zegt na ‘hoe laat begint jouw les? ”.
Hij zegt hetzelfde.
Hoe laat begint jouw les?
R: Mag ik wat vragen?
Ja, vraag maar. R: Hoe laat begint de pauze?
Goede vraag!
Hoe laat begint de pauze?
Pauze. Ik wil koffie!
Uh, de pauze. Oh het is tijd. De les is klaar.

Dit was les 8. Tot de volgende les.

Wszystkie lekcje z serii „Woord voor Woord“ >>>

Napisz komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany. Pola, których wypełnienie jest wymagane, są oznaczone symbolem *

Nasza witryna internetowa wykorzystuje pliki cookies. Kontynuując przeglądanie strony, akceptujesz politykę prywatności.
OK
X
¤