Lekcja 3 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Paź 17, 15 Lekcja 3 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Les 3 Waar is mijn pen? – Lekcja 3 Gdzie jest mój długopis?

 

Woordenboek – Słownik

Woorden: Werkwoorden

Zelfstandige naamwoorden

Overige woorden

geef (geven) – dawać
lees (lezen) – czytać
schrijf (schrijven) – pisać
kijk (kijken) – patrzeć

woon (wonen) – mieszkać
is (zijn) – jest(być)
Waar is …? – Gdzie jest …?
Waar woon jij? – Gdzie mieszkasz?

het raam – okno
de muur – ściana
het woord – słowo
het huis – dom

alsjeblieft – proszę

dankjewel – dziękuję

dit – dat

aan

waar – gdzie

onder -pod

mijn – mój

jouw – twój

voor – achter /przed- za/

Hallo, Welkom bij woord voor woord. Dit is les 3. Waar is mijn pen?

Waar is mijn pen. Waar?!
Waar is mijn pen?
Ah, mijn pen is onder het boek.
Op-onder.
Dit is mijn pen.
Rick, is dit jouw pen?
R: Nee, dit is mijn pen.
Ja, dat is jouw pen. Dit is mijn pen
Ik geef mijn pen aan Rick. Ik geef.
Alsjeblieft
R: Dankjewel.
Ik geef het boek aan Rick.
Alsjeblieft
R: Dankjewel.
Ik geef het papier aan Rick.
Alsjeblieft
R: Dankjewel.
Dit is mijn boek.
Rick dat is jouw boek?
Waar is jouw boek?
Rick, schrijf jouw naam.
Schrijf jouw naam op het papier.
Rick schrijft Rick.
Ik schrijf mijn naam.
Ik schrijf mijn naam op het papier.
Rick schrijft Rick. Ik schrijf Mirjam. Mirjam is mijn naam.
Ik schrijf.
Ik lees. Ik lees mijn naam. Mirjam. Ik lees mijn naam.
Ik lees in het boek.
Ik lees.
Ik lees ‘tas’.
Tas, het woord.
Woord, woord, woord, woord, woord.
Allemaal woorden.
Het woord tas. Ik lees tas.
Ik schrijf tas.
Ik zit, ik zit op de stoel.
Ik sta. Ik sta voor de stoel.
Ik sta achter de stoel. Voor – achter.
Ik zit op de stoel – Ik zit op de tafel.
R: Waar is de docent?
Ik zit onder de tafel.
Waar is mijn pen?
Mijn pen is onder het boek.
Mijn pen is op het boek.
Mijn pen is onder het boek.
Ik kijk. Ik kijk naar de muur.
De muur. Ik kijk naar de muur.
Ik kijk naar het raam.
Ik kijk.
Ik kijk naar het huis.
Ik wijs naar het huis. Ik kijk- ik wijs.
Dit is mijn huis.
Ik woon in dit huis.
Ik woon in Groningen.
Rick, waar woon jij?
R: Ik woon in Groningen.
Rick woont in Groningen, ik woon in Groningen.
Waar woon jij?

Dit was les 3 Tot de volgende les!

Wszystkie lekcje z serii „Woord voor Woord“ >>>

2 komentarze

  1. sandra /

    goed les!!!!

  2. Barbara /

    goed les!!!!!!!!!!!!!!!!

Napisz komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany. Pola, których wypełnienie jest wymagane, są oznaczone symbolem *

Nasza witryna internetowa wykorzystuje pliki cookies. Kontynuując przeglądanie strony, akceptujesz politykę prywatności.
OK
X
¤