Lekcja 10 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Lut 08, 16 Lekcja 10 – język niderlandzki dla początkujących [wideo]

Les 10. Boodschappen doen. – Lekcja 10 Robić zakupy.

Woordenboek – Słownik

Woorden: Werkwoord

Zelfstandige naamwoorden

Overige woorden

Ik koop(kopen) – Ja kupuje(kupować)
eet(eten) – jeść
vind(vinden) – sądzić
weet(weten) – wiedzieć
denk(denken) – myśleć
kost(kosten) – kosztować
Wat vind jij lekker? – Co lubisz? Co ci smakuje?

de supermarkt
de kar – wózek (sklepowy)
de kaas -ser
de kool – kapusta
het meel – mąka
de vis – ryba

wie – kto
duur – drogi
ook – również

 

Hallo. Welkom bij woord voor woord. Dit is les 10 Boodschappen doen.

Ik doe boodschappen.
Ik doe boodschappen bij de supermarkt.
Ik doe boodschappen.
Ik koop eten.
Ik koop kool, de kool.
Ik koop vis, de vis.
Ik koop kaas, de kaas.
Ik koop meel, het meel.
Ik koop eten.
Kaas, kool, vis en meel.
Ik koop drinken.
Ik koop cola.
Ik koop melk.
Ik koop drinken.
Ik koop cola en melk.
Ik doe boodschappen.
Ik doe boodschappen in de supermarkt.
De boodschappen liggen in de kar.
De kar, de boodschappenkar.
De kaas ligt in de kar.
Het meel ligt in de kar.
De kool ligt in de kar.
De vis ligt in de kar.
De kaas, het meel , de kool en de vis liggen in de kar.
De boodschappen liggen in de kar.
De boodschappen zitten in de tas.
Ik koop meel.
Ik koop kool.
Ik koop kaas.
Ik koop vis.
Het meel, de kool, de kaas, de vis. Wat kost het meel?
Het meel kost 90 cent.
Het meel kost 90 cent,
Is dat duur? Is dat veel?
Nee dat is niet veel.
Meel is niet duur.
Wat kost de kool.
De kool kost 1, 10.
1 euro 10.
Is dat duur?
Nee dat is niet duur. Dat is niet veel
De kool is niet duur.
Wat kost de kaas.
De kaas kost 5 euro 10.
5 euro 10.
Is dat duur? Is dat veel.
Ja dat is veel.
De kaas is duur.
En de vis?
Is de vis duur?
Even kijken, de vis kost 4 euro 50.
De vis kost 4 euro 50
Dat is veel. De vis is duur.
Ik eet.
Ik eet vis.
Ik vind vis lekker. Mmmmm.
En jij? Vind jij vis lekker?
Vindt Rick vis lekker?
Ik weet het niet.
Jij weet het niet.
Ik weet het niet, jij weet het ook niet.
Ik ga het vragen.
Rick, vind jij vis lekker?
R: Nee, ik vind vis niet lekker.
Rick vindt vis niet lekker.
Nu weet ik het.
Jij weet het ook.
Rick vindt vis niet lekker.
Ik vind vis lekker.
Ik eet vis en ik eet kool.
Ik eet vis met kool.
Ik vind vis lekker, ik vind kool ook lekker.
En jij ? Vind jij kool lekker?
Vindt Rick kool lekker?
Ik weet het niet.
Wat denk jij?
Ik denk.. ik denk. Vindt Rick kool lekker?
Ik weet het niet.
Ik ga het vragen.
Ik vraag het aan Rick.
Rick vind jij kool lekker.
R: Nee, ik vind kool niet lekker.
Rick vindt kool niet lekker, hij vindt vis niet lekker.
Hij vindt kool ook niet lekker
Nu weet ik het.
Hij vindt kool niet lekker.
Ik vind vis en kool lekker.
En jij? Vind jij vis en kool lekker?
Hallo, ik ben Mirjam.
Ik ben docent.
Ik ben docent op het Alfa-college.
Wie ben ik?
Ik ben Mirjam.
Wie ben ik?
Ik ben de docent.
Wie ben jij?
Wie is dat?
Dat is Rick.
Rick, wie is dat?
Dat is jouw man.
Ja dat weet jij.
Dat is mijn man.
Wie.Wie ben jij?
Wie is dat?
Wie ben ik?
Wie?
Wat?
Wat is dat?
Dat is de kaas.
Wat is dat, dat is de kar.
Wat, de kar.
Wie, mijn man.
Wat – wie.
R:Mirjam, wat ga je doen?
Wat denk je? R: Ik weet het niet.
Ik ga boodschappen doen.
Dit was les 10.
Tot de volgende les.

Wszystkie lekcje z serii „Woord voor Woord“ >>>

Napisz komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany. Pola, których wypełnienie jest wymagane, są oznaczone symbolem *

Nasza witryna internetowa wykorzystuje pliki cookies. Kontynuując przeglądanie strony, akceptujesz politykę prywatności.
OK
X
wiatraczek.nl
¤