Kleren in het Nederlands deel 1 – Ubrania w języku niderlandzkim cześć 1 [wideo]

Gru 04, 15 Kleren in het Nederlands deel 1 – Ubrania w języku niderlandzkim cześć 1 [wideo]

Kleren of kleding in het Nederlands

Nederlandse woorden en zinnen.

Herhaal de zinnen hardop! (pauzeer zelf de video)

zich aankleden – kleedde zich aan – heeft zich aangekleed (ubierać sie)
Ik kleed me ‘s ochtends aan.

aandoen – deed aan – heeft aangedaan(zakładać na siebie)
Wat doe je aan vandaag?

aantrekken – trok aan – heeft aangetrokken (zakładać na siebie)
Ik heb niets om aan te doen / om aan te trekken.

aanhebben – had aan – heeft aangehad(mieć na sobie, nosić)
Hij heeft nieuwe kleren aan.

dragen – droeg – heeft gedragen(nosić)
Zij draagt nooit korte rokje / Zij heeft nooit korte rokjes aan.
Hij draagt vaak streepjesoverhemden.

staan – stond – heeft gestaan
Dat t-shirt staat je goed.

Herhaal de de woorden hardop! (zelf pauzeren niet nodig)

de kleding
het kledingstuk
de kleren
de trui (de truien) – swetr

de coltrui (de coltruien)
het overhemd(en)
de blouse/bloes(de bloesjes)
het t-shirt(de t-shirts)
het poloshirt(-s)
het topje(-s)

de jurk (-en) – sukienka, suknia
de rok (de rokken) – spódnica
de broek (-en) – spodnie
de spijkerbroek (-en) – spodnie jeansowe
de boekzak (-zakken) – kieszeń
de ribbroek (-en)
de korte broek (-en) – spodenki
de lange broek (-en) –
de tuinboek (-en) – ogrodniczki
de overall (-s) –

de riem (-en) – pasek
het veter (-en) –
de knoop (de knopen) –guzik
het knoopsgat (-gaten) – dziurka na guzik
de rits (-en) – zamek (w ubraniach)
de pyjama (-‘s) – piżama
de nachtjapon (-japonnen) –
het nachthemd (-en) –
het slaap-t-shirt (-s) –
de ochtendjas / de badjas – szlafrok

passen – paste – heeft gepast
Ik ga nieuwe kleren passen.
Waar is het pashokje? –
Gdzie jest przymierzalnia?
de paskamer (-s) – przymierzalnia
Ik pas dit jurkje niet meer.

zich omkleden – kleedde zich om – heeft zich omgekleed (przebierać się)
Ik ga me even omkleden.

Aandoen – deed aan – heeft aangedaan(zakładać)
Zij doet de baby schone kleertjes aan.

zitten – zat – heeft gezeten
Deze trui zit niet lekker.

Zijn – was – is geweest
Dit is mijn lievelingstrui.
lieveling – ulubiony, ukochany

zich uitkleden – kleedde zich uit – heeft zich uitgekleed (rozbierać się)
Ik ga naar bed:
ik ga me uitkleden
ik ga mijn(m’n) kleren uittrekken
en ik doe m’n pyjama aan.

de sok(de sokken) – skarpeta
de schoen (-en) – but
de sandaal (de sandalen) – sandał
de slipper (-s) –
de laars (de laarzen) – kozak
de regenlaars / rubberlaars (de -laarzen) – kalosz
de gymschoen (-en)
de veter (-s) – sznurowadło
de schoen(-en)winkel – sklep obuwniczy

de jas (de jassen) – kurtka
de zomerjas (de –jassen) –
de winterjas (de jassen)–
de capuchon (-s) – kaptur
de sjaal (-s) – szal
de poncho (‘s) –
de regenjas (-jassen) – kurtka przeciwdeszczowa
het regenpak (-pakken) –
de paraplu (-‘s) – parasol
de kledingwinkel (-s) –

Zij heeft twee paar laarzen. – Ona ma dwie pary kozaków.

dragen – droeg – heeft gedragen(nosić)
Zij draagt altijd hoge hakken / Zij loopt altijd op hakken.

krijgen – kreeg – heeft gekregen
Bij de schoenmaker krijgen mijn schonen nieuwe zolen en nieuwe hakken.

strikken – strikte – heeft gestrikt (wiązać np. sznurówki)
Je veter zit los.
Je moet hem opnieuw strikken.

aandoen – deed aan – heeft aangedaan(zakładać)
Ik doe altijd mijn regenpak aan als ik door de regen moet fietsen.

Wat is er dit jaar in de mode?

Dit en nog veel meer in deel 2:

‘Kleren in het Nederlands (2/2)’

Meer kleren, winterkleding, nachtkleding, zwemkleding, ondergoed,
kledingmaten, tassen, accessoires, sieraden,

brillen, horloges en stoffen!

Dus: wordt vervolgd …

Kleren in het Nederlands deel 2 – Ubrania w języku niderlandzkim cześć 2 [wideo]

Napisz komentarz

Twój adres email nie zostanie opublikowany. Pola, których wypełnienie jest wymagane, są oznaczone symbolem *

Nasza witryna internetowa wykorzystuje pliki cookies. Kontynuując przeglądanie strony, akceptujesz politykę prywatności.
OK
X
¤